Dit blog staat – in licht aangepaste vorm – ook bij nieuwwij.nl
Het vermogen om in sprookjes te geloven is onderdeel van ons succes en falen. Je gelooft heilig in je paspoort, in je baan, in je nationale feestdagen, omdat alleen maar rationeel gedrag nou eenmaal bij lagere diersoorten en robots hoort. Met een gebrek aan heilig geloof in dit soort fictie ben je buitenstaander. Geen slechte afspraak, maar wel een met veel scherpe kantjes.
Vooral in het buitenland worden deze lege hulzen zichtbaar. Op een vreemd vliegveld vallen me al direct de Nederlanders op. Wat dragen we vergeleken met andere Europeanen veel felle kleuren. Wat zijn we lomp. En zouden mensen die talen spreken die ik niet versta, ook zo schaamteloos een afkeurend oordeel geven over zo’n beetje alles wat ze voor het eerst zien? Ik kan het me niet voorstellen.
We zitten net als elk volk vol charmante en minder charmante gebreken, maar kunnen deze thuis gelukkig een stuk minder goed zien. Hier gelooft iedereen zo’n beetje in dezelfde fictie. Van klederdracht tot pensioenen.
Consultancy
Buitenstaanders zien onze onvolkomenheden natuurlijk veel beter. Net als dat een bedrijf een consultancy bureau inhuurt voor verbetering en niet iemand van het eigen personeel, zou het bizar zijn om binnenlandse misstanden niet door een buitenlander te laten bekijken. Leve de VN. Maar zo werkt het dus niet helemaal. Iemand die helder het probleem ziet en het met een botte bijl wil verwijderen, moet toch echt bij het bedrijfsleven zijn. Effectieve snelle oplossingen, bedacht door buitenstaanders, werken bij nationale sprookjes averechts. Men wordt woedend. Rusland, Syrië, daar moet je zijn. Wij leven in Utopia.
‘De rode kleur van Coca-Cola is niet racistisch, want kinderen vinden het lekker’, zul je natuurlijk niet snel horen. Een wereldmerk zou bij zo’n beschuldiging zijn marketingstrategie direct aanpassen. Het wereldbedrijf verkoopt nou eenmaal een sprookje met een wat duidelijkere en handelbaardere structuur. Zo simpel werkt dat met heilige nationale sprookjes niet.
Gelukkig houden zelfs folkloristische sprookjes rekening met de tijdsgeest, maar op een ondoorgrondelijkere manier. Vrouwen mogen hier bijvoorbeeld alweer een tijdje stemmen, het aantal uren dat je werkt is gereguleerd, er bestaat een minimum salaris en homo’s kunnen trouwen. Onze sprookjes beginnen best een aardige vorm te krijgen. Het versterkt helaas wel onze neiging om de nog volop aanwezige misstanden te ontkennen en met het vingertje naar buiten te wijzen. We vergeten dat ook wij op vliegvelden nog in negatieve zin opvallen. Juist wij.
We worden daar niet subtieler. Fellere kleuren, hardere ongezouten commentaren en steeds dover wordend voor een weerwoord. Onbeleefder. Dat anderen ook naar ons wijzen, dat gaat dus langs ons heen.En als we horen fluisteren ‘Kijk, dat zijn die lui die nog in Zwarte Piet geloven’, dan gaan we vol emotie – zonder echt te luisteren – massaal een online petitie invullen, in plaats van na te denken over wat die buitenstaanders direct zien, en wij niet. Waar die schmink, zonder kindersprookjessmoes, nou echt voor staat.
Het sprookje in de huidige vorm is nu besmet. Voor het kinderfeest geen enkel probleem, het kan nu niet anders dan zich in der loop der tijd aanpassen in wat voor vorm dan ook. Zo gaat dat. Ook dit sprookje zal door verandering na verandering nooit eindigen, zoals het hoort. Met een beetje gelukkig leren we er ook het een en ander van. Ik ben in ieder geval gematigd positief. En zo leefden we nog lang en – tamelijk – gelukkig.