Ik haat de Friese vlag

SAMSUNGIn de winter hangen er bij mijn buurt-doe-het-zelf-winkel meerdere Friese vlaggen buiten. Om aan te geven dat er van alles met schaatsen gebeurt. Je kunt ze er huren en laten slijpen. Slim. Toch storen de kleurige doeken met pompeblêden me behoorlijk. Waarom? dat weet ik niet precies.

Misschien wel omdat de mensen die er werken allemaal behoorlijk Amsterdams overkomen. De tongval, het chagrijn en de droogkloterigheid horen toch echt bij deze kant van het IJsselmeer. Die katoenen symbolen van een streek worden hier overduidelijk misbruikt voor commerciële doeleinden.

Toch valt daar ook weer wat voor te zeggen. Hoe tof is het dat je met een totaal uit de context gehaalde vlag een bepaalde romantiek op kunt roepen? Laat je schaatsen slijpen alsof je de tocht der tochten gaat rijden, denkend aan vers suikerbrood, de Kameleon en het sympathieke SC Heerenveen. Die spelen ook niet voor niets omwikkeld door die vlag. Ze zingen daar zelfs het Fries volkslied voor thuiswedstrijden. Ook zoiets afschuwelijks. Waarom irriteert het mij toch zo?

Misschien kan ik het niet goed verdragen, omdat ik geen benul heb hoe de Noord-Hollandse vlag eruit ziet. Laat staan dat ik weet hoe het volkslied hier klinkt, als dat al bestaat. Dat heeft Marco van Basten vast nooit gezongen. Aan de andere kant is er voor mijn onwetendheid een duidelijke reden. Het boeit totaal niet.

De Nederlandse vlag gedoog ik maar net. De Amsterdamse vlag doet me waarschijnlijk nog het meest. Maar daar heb ik eerlijk gezegd ook weinig gevoelens bij. Ik ben behoorlijk allergisch voor chauvinisme. Maar zo simpel is mijn afkeer ook weer niet te verklaren. Basken en Catalanen storen me minder.

Hun afkeer tegen de vanuit Madrid geregeerde natie heeft wel wat. Ik denk dat zo’n stap voor een geslaagd verenigd Europa en vervolgens een verenigde wereld meer zoden aan de dijk zet dan die verslaving aan nationale grenzen nu. Trots op je streek en van daaruit Europees wereldburgerschap. Maar wacht, ik dwaal af. Het gaat over die klotevlaggen bij mijn buurtzaak. En dat die Friezen bovengemiddeld pro-Europa zijn, lijkt me stug.

Zou het gewoon ordinaire jaloezie zijn? Zou ik stiekem ook zo’n streekgebondenheid willen ervaren? Welnee, die heb ik allang. Ik zou nergens anders willen wonen. Zolang ik me op kan blijven winden over een stel mallotige vlaggetjes hoor je mij hier niet klagen. Althans, niet echt.

Zonder respect… heel graag

De Zonder respect geen voetbalcampagne kan de eerste prijs voor de slechtste actie ooit krijgen wat mij betreft. Het zet dan wel allerlei discussies op gang en ik tik er nu een stukje over, maar niemand weet echt waarover het gaat. De makers ook niet lijkt me. Met terugwerkende kracht vind ik de CDA-leus Fatsoen moet je doen, opeens formidabel.

Politieke correctheid – iets vinden omdat de goegemeente dat nou eenmaal vindt – is al schadelijk op zichzelf. Het verdoofd. Mensen worden niet meer uitgedaagd om na te denken. Morele zaken krijgen pas betekenis als individuen echt even gaan zitten om hun standpunt te vormen. En mensen tot nadenken zetten kan vast ook via posters in bushokjes en middels bandjes om arbiters. Dan moet je wel met iets ijzersterks komen. Niet met respect.

Respect is een woord dat zich inmiddels helemaal niet meer leent voor een inhoudelijk debat of een persoonlijk standpunt. Het is volkomen uitgelepeld, het zijn enkel zeven letters geworden die niemand tot nadenken zetten. Integendeel.

Wat er bij de bekerkwartfinale FC Den Bosch – AZ op de tribune gebeurde is een mooi vreselijk voorbeeld. Oerwoudgeluiden. Als wij met z’n allen weleens een nuttige discussie zouden voeren over discriminatie en racisme was er vast kordater gereageerd. Dan waren weldenkende mensen er wel meteen uit dat apengeluiden maken als een donkere speler, in dit geval Altidore, aan de bal is zo’n beetje het meest kwetsende is wat je kunt doen.
Ik vrees echter dat veel mensen pas op het moment dat het gebeurde geconfronteerd werden met de vraag of dit een ernstig vergrijp was.

Als ik het goed begrijp werd Jozy Altidore zelfs  betrokken bij het overleg wat er moest gebeuren. Wat een onzin. Hij reageerde perfect, maar al had hij gezegd dat al die gasten een bloemetje verdienden, het maakt niets uit. Dit niet inzien is ook een vorm van racisme. Als ik beroofd ben gaat de politie mij toch ook niet om advies vragen wat ze moeten doen? Voor misdaden moeten er protocollen klaar liggen.

Racisme is in dit land nog een behoorlijk taboe. We lachen om die gekke Britten als de kranten er wekenlang volstaan over racistische voetballers. En om de Amerikanen als er vanwege de nieuwste Tarantinofilm zo’n ophef is omdat het woord Nigger  – the N -word – er zo vaak inzit. Dat zouden wij hier nooit doen. Nee, wij verzwijgen het liever. En gaan wat polderen als het kwaad al lang geschied is.

Alleen hier wordt er halfslachtig gereageerd op zulk ernstig racisme. Doe niets, zoals ook in sommige landen gebeurt, of doe alles. Afblazen die wedstrijd, niet terugkeren dus, en hele hoge boetes uitdelen aan de daders. Met nadruk op de daders. Niet weer uit totale onmacht restricties opleggen bij alle supporters.

Zero tolerance zit niet in onze cultuur, maar we moeten echt om leren gaan met excessen. Want nu is echt iedereen de dupe van halfslachtig beleid. Behalve de daders misschien. Of zouden die zich heel druk maken om het angstaanjagende effect van al die bandjes en die posters met dat woordje?

Theo houdt niet zo van voetbal

Na de 3-2 op Ajax hoor ik Theo Janssen bij Studio Sport zeggen: “Dat ik altijd beter ben in dit soort wedstrijden dat stond eigenlijk al vast. Ik probeer ook altijd in de mindere wedstrijden hetzelfde te brengen. Ik weet niet waarom, hoe het komt, maar daar heb ik wat meer moeite mee. Misschien is dat ook de reden dat ik goed functioneer bij een club die net geen top is.” De laatste zin met een grote glimlach op dat eeuwig onuitgeslapen gezicht.

Ik weet wél hoe het komt dat Theo alleen in grote wedstrijden presteert. Hij houdt meestal namelijk helemaal niet zo van voetballen. Zijn kicksen zijn niet meer dan wat een kwast voor een huisschilder is. Hij speelt eeuwig tegen RKC.

Bij Ajax had hij dan ook nooit iets te zoeken. Met Theo’s mentaliteit kun je daar alleen verliezen. Enkel wat Champions Leaguetegenstanders komen er gevoelsmatig niet uit Waalwijk. En als overmatig talent op de training niet meer bijzonder is, dan is de uitdaging heel anders dan Theo het bedoelt. Daar is hij veel te lui voor.

Maar Theo is gelukkig in Arnhem geboren. Met zijn hang naar heimwee, zijn mentaliteit en dat onhandig groot talent de enige juiste plek. Alleen daar is voetbal voor hem soms meer dan een baan. Hopelijk komen de dromen van Jordania er niet uit. Theo verdient zijn supersub.

Theo Janssen, een gewone vreemde eend

Ik vrees dat ik sinds zondagavond 27 januari rond twintig over zeven definitief fan ben geworden van Theo Janssen. Die middag was zijn goal tegen Ajax nog de ommekeer in de wedstrijd. Mijn club zou gaan verliezen. Tenenkrommend. Schandalig. Kut. Maar tussen alle emoties borrelde ook een groot respect voor de man met die eeuwige blik alsof hij net is wakker geschrokken. Een man die me al een aantal jaar keer op keer op het verkeerde been weet te zetten.

Theo Janssen. Hij overtreedt talloze natuurwetten. In de regel verloopt een topsportcarrière volgens een vast stramien. Snoeihard, maar in de basis eerlijk. CEO of minister kun je nog worden met wat leugentjes op je cv. Maar als je de Olympische honderd meter finale wil halen moet je simpelweg de beste zijn. Uiteraard zijn er manieren om vals te spelen door bijvoorbeeld naar chemische hulpmiddelen te grijpen, maar ik probeer een punt over Theo Janssen te maken, niet over Michael Boogerd. En zover ik weet geven bovenmatig alcohol- en nicotinegebruik weinig voordeel.

Ook bij voetbal geldt “Theo Janssen, een gewone vreemde eend” verder lezen

Erfenis

Binnenkort is mijn vader jarig. Dat hij al een aantal jaar niet meer leeft mag de pret niet drukken. Los van dat ik geen cadeautje hoef te kopen en niet beleefd hoef te doen tegen visite van een hele andere generatie, heeft zijn fysieke afwezigheid die hele datum uiteraard een andere lading gegeven. Het doet er nog heel weinig toe. Volgens mij zijn verjaar- en sterfdagen meer iets voor mensen waar je niet automatisch dagelijks mee wordt geconfronteerd.

Iemand die dichtbij je staat gaat namelijk nooit echt helemaal dood. Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik met hem geconfronteerd word. Gewoon een droog feit. Best prettig. Een vader zie je al als je ’s ochtends in de spiegel kijkt, om maar wat te noemen.

Ook gister kwam ik hem weer tegen. Ik ging namelijk schaatsen. Er ligt al een tijdje ijs. Niks mis met folklore. En dat ik de zoon van een schaatser ben die mee heeft gedaan aan dé tocht van ’63, daar ben ik me heel bewust van. Hij heeft ‘m dan niet uitgereden, maar wie wel? Gevalletje paplepel dus.

Ik trek iets ten noorden van de stad mijn schaatsen aan. Geniet van de prachtige natuur en van het mooie geluid van het ijs. Eén met de elementen. Maar deze idylle duurt niet lang. Ik kan er helemaal niet zoveel van. Zeker niet voor iemand die ermee is opgegroeid. Mijn evenwicht is ver te zoeken. Al snel heb ik zere voeten. Ik moet eerlijk zijn tegen mezelf. Ik vind er eigenlijk maar weinig aan.

Qua schaatsen blijk ik gewoon net mijn moeder te zijn. Al snel geef ik het op. En rij – met de auto – naar huis. Wat ik al vermoedde blijkt echt waar te zijn. Dit was toch echt meer zijn ding dan het mijne. Helemaal niet erg. Ons leven gaat gewoon door.

Andy Murray

Ergens ben ik een tennisafhaker. In de basis is het een prachtige sport. Vooral de puntentelling is briljant. Deuce, break-, game-, set- en matchpoint zorgen ervoor dat je gedurend een heel potje op scherp moet staan. Iets wat ik zelf totaal niet kan. Mijn eigen tennis’loopbaan’ was een tragische confrontatie met mezelf. Met een mentaliteit die me dan wel regelmatig op 40-0 bracht, maar die me zo’n voorsprong net zo makkelijk uit handen deed glippen.

Wat wringt is dat de juiste mentaliteit spelers als Federer en Djokovic oplevert. Dat regelmatige presteren en die volle concentratie van die topatleten maakt het voor mij wat saai. Ik kan er niet goed naar kijken. Het zijn geen individuen die ik gevoelsmatig iets gun.

Vroeger had ik wel een zwak voor Goran Ivanisevic en ook wel voor Richard Krajiceck. Dat waren gasten die jarenlang worstelden met het basisprincipe van het spel. Een enorm talent, maar een karakter dat behoorlijk botste met de flow die nodig is op de vele belangrijke momenten. Echte mensen. Een randje dat hun paar titels veel meer kleur geeft dan al die prijzen van robots als Sampras en Federer.

Gelukkig is er sinds een aantal jaar weer een tennisheld waar ik helemaal achter sta. Waarvoor ik de Grandslams weer volg. Een echt mens dat een kans maakt tegen die machines. Een heerlijke chagerijn. Met het imago van een onopgemaakt bed, zoals een Britse journalist hem ooit omschreef. Jarenlang gestreden, gevochten tegen zichzelf en sinds kort de US Open en een Olympische titel op zak.

Een zeer complete speler die het nooit makkelijk heeft. Nog elk potje speelt hij ook tegen zichzelf. Maar vrijdag in Australië wel even mooi van Federer gewonnen, in vijf sets uiteraard.
Zondag kan hij het laten zien tegen stoïcijn Djokovic, in de finale dus. Come on Andy! Laat zien waar wij gewone stervelingen toe in staat zijn.

Ranzig

Mocht je je afvragen wat er met je geld voor de Postcodeloterij gebeurt. Dat gaat naar de dagelijkse communicatie met mij, sinds ik ben gestopt.

Kennelijk kunnen ze niet zonder me. Het komt zelden voor dat ik mijn mailbox open en geen gluiperige bedeltekst van ze zie. Maak kans op bladibladibla is vaak de strekking. Ook de tweewekelijks brievenbusbrief heeft een hoog chanteergehalte. Zonder ooit iets te openen is dat met koeienletters zichtbaar.
Opzouten met die zooi. Ik ben gestopt met een reden. Ik kots namelijk van het bedrijf. Zou er iemand in Nederland lid zijn vanwege de goede doelen?

Als ik op verjaardagen over mijn afkeer begin, krijg ik keer op keer te horen dat mensen toch lid blijven. Omdat ze het niet zouden kunnen verdragen als mensen in hun straat veel geld zouden winnen en zij niet. Pure chantage dus. Het verbaast mij dat dit van de wet mag.

Ik weiger om nog langer aan deze vuiligheid mee te doen. Loop nu dus het risico om jaloers te worden. Het zij zo.

Ik weet ook wel dat onze samenleving drijft op het idee dat niemand het slechter wil hebben dan de buren. Maar hoe dit bedrijf met dit gegeven koketteert is schaamteloos. Hebzuchtporno. En dan niet van de onschuldige Sylvia Christel soort. Nee, meer iets met dieren, met dorpsomroeper Gaston in de hoofdrol.  Winnen doen je bij… m’n reet.

Wat loop ik eigenlijk te zeuren? Er gaat toch ook behoorlijk wat van dat geld naar goede doelen? Ja, maar als iedereen het geld dat ze in deze vuiligheid stoppen direct aan liefdadigheid zou uitgeven, dan werden er heel wat betere dingen mee gedaan.

De tactiek achter de alom aanwezigheid van deze gore postcodeporno vind ik bijzonder indrukwekkend. Ranzig. Maar indrukwekkend. Marketingtechnisch is het een wereldbedrijf.
Half Nederland rijdt bijvoorbeeld op zo’n niet te missen clownsfiets van ze. Dat de rijwielbranche in Nederland hier aan onderdoor gaat is bijzaak. Schimmige gokbedrijven staan nou eenmaal niet bekend om hun medemenseljkheid.

Ook hoor ik regelmatig van mensen  dat ze wat hebben gewonnen.  IJs of chocola of zo. Langs sportvelden zijn ze niet te ontwijken. Om over radio en tv maar te zwijgen. En natuurlijk delen ze agenda’s uit. Want stel je voor dat er een Nederlander zou zijn die een dag niet aan ze denkt. Viespeuken. Bah.

Respect is een kiwischil geworden

“Respect is een zeikerd geworden. Alles wat niet zo leuk is aan een Nederlander.” Zo eindigt Peter Middendorp zijn sportcolumn in de Volkskrant vandaag. IJzersterk.

Het woord dat iets met eerbied, ontzag en/of waardering te maken zou moeten hebben, is inderdaad een eigen leven gaan leiden. Of liever, het is al geruime tijd uitgewoond. Het heeft al best lang geen echte betekenis meer. De FIFA/UEFA hadden bij het uitscheppen er al flink aan bijgedragen, zodat de KNVB de laatste weken de laatste restjes inhoud er alleen wat hoefde uit te schrapen, als bij een kiwi. Wat over is, is kale taal. Een stevig begrip is nu nog maar een schil van zeven simpele letters.

Zo werkt dat. Binnenkort gaan we elkaar bijvoorbeeld ook weer massaal de beste wensen toewensen. Prachtig. Als je Iemand het beste toewenst is dat heel wat. Best krachtig. Bijzonder. Helaas doet iedereen het alleen van 1 tot grofweg 6 januari. Het is niet meer dan het hoi van die periode. Leeg. Een cliché.

Overigens is het een verschijnsel dat ook goed kan uitpakken. Voor slimme reclamemakers. Neem wat Heineken met het woord Biertje heeft gedaan, of Cup a Soup met het begrip vier uur. Alledaagse begrippen die de bedrijven handig hebben toegeëigend.

Biertje werd een biertje van een bepaald merk: Heineken. Vier uur werd het inkakmoment dat alleen door een bepaald soepje te redden was. En respect werd… niets, hooguit misbruikt. Hier stond geen simpel product tegenover, maar een vrij abstract begrip. De leus Zonder respect geen voetbal zal dan ook geen reclameprijzen winnen, vrees ik.

De enige persoon die me te binnen schiet die het woord doeltreffend gebruikt is wielercommentator Maarten Ducrot. Hij kan dingen zeggen als: “met alle respect voor Vinokourov, maar hij draalt als een drol.” Geniaal. Het begrip gebruiken als vrijbrief om iemand compleet af te branden. Ik vrees dat dit gebruik van het woord de enige vorm is die nog een lang leven voor zich heeft.

Hetgeen waar respect ooit voor stond kun je niet benoemen, daar kalf je het mee af. Dat is nu wel duidelijk. Eerbied, ontzag en waardering moeten keer op keer verdiend worden. Het zou prettig zijn als de regelgeving daar wat duidelijker bij zou helpen.
Nederland staat nou eenmaal niet bekend om gezagsgetrouwheid. En ook niet om duidelijke regelgeving. We zijn meestergedogers – dingen door de vingers zieners. We moeten dus niet al te verontwaardigd zijn over onze eigen chaos. Daar iets eerlijker over worden. En ons niet achter een paar letters blijven verschuilen.

Recensie van boek Stoeltje 63, thuis bij Ajax

In de Ajax Lifekrant van 16 augustus staat een recensie van Kevin van Nunen over mijn columnbundel. Ik citeer:

“Eens in de twee weken stapt Nicky Samsom op zijn fiets. Naar Ajax, naar de Amsterdam Arena, naar Stoeltje 63. Vanaf dat stoeltje deelt hij wat hem opvalt. Dat hoeft niet de man te zijn die twee keer scoort, beter van niet zelfs. Liever iets origineels. Een toegiftbal, de mascotte die hooghoudt, de boodschap op een spandoek of een fantastische baggerwedstrijd tegen Excelsior. De herinnering aan twee landstitels wordt per thuiswedstrijd, per column sterker. Het script van Frank de Boer leent zich prima voor deze bundel. Thuis bij Ajax glinstert de schaal, met of zonder deuk, nog net even iets mooier.”

Daar heb ik nou niets aan toe te voegen.
Kijk hier voor meer informatie over het boek

Op mijn daklozenkrantverkoper

Als je hier klikt kun je op blz 65 een column van mij lezen. Deze haalde bij een columnwedstrijd van Nieuwe Revu en Grolsch het boekje Op de 33 eigenzinnigste columns van Nederland.

Je kunt hem ook gelijk hieronder lezen, veel makkelijker:

Op mijn daklozenkrantverkoper

Op de inhoud heb ik de daklozenkrant nog nooit gekocht. Mijn regelmatige aankoop komt puur door de verkoper voor mijn buurtsuper. Hij is een stuk professioneler dan de redactie van het blaadje, dat ik bijna elke keer na aankoop weer ongelezen bij het oud papier mieter.

Veel mensen kunnen wat opsteken van het arbeidsethos van mijn dakloze. Hij is er om te beginnen haast altijd. Dit weet ik door regelmatig op onregelmatige tijden boodschappen te doen. Hij staat dan met een krantje in een plastic hoesje op gepaste afstand iedereen die daar voor openstaat te groeten. Hij lijkt feilloos aan te voelen wie hij wel en niet welkom kan heten. Heel anders dan zijn zeer aanwezige collega bij het grotere filiaal hier in de buurt. Die groet echt iedereen en creërt daardoor dat ongemakkelijke ‘nu-moet-ik-dat-ding-zeker-van-‘m-kopen, dacht-‘t-niet’ gevoel. Het is duidelijk dat míjn dakloze een heel wat grotere mensenkennis heeft. Dit levert hem ongetwijfeld ook een veel grotere klantenkring op. Mij heeft hij in ieder geval meteen veroverd.

De eerste keer dat hij er stond viel hij me gelijk al positief op. Een wat lange Balkanachtige verschijning met een sympathieke blik. Meteen ontstond de nóg goedlopende routine bij de schuifdeuren, van het groeten bij binnenkomst en het gedag zeggen bij vertrek. Het krantje koop ik sindsdien om de paar weken, het is naar mijn weten nog maar een of twee keer voorgekomen dat ik dezelfde editie dubbel heb gekocht.

Mijn Z-verkoper is ook veel meer dan een daklozenkiosk alleen. Soms zie ik hem naast iemands Tekkel, dan weer naast een Bouvier en soms ook naast een Duitse herder. Ook om omgevallen fietsen lijkt hij zich te bekommeren. Zelfs bij de zware storm van de afgelopen week konden mensen met een gerust hart hun rijwiel op wankele standaards bij hem laten staan.

Ik voel me goddank ook nooit verplicht om echt een praatje te maken. De meeste woorden die we ooit wisselden vielen in de zomer. Het krantje komt dan wat minder vaak uit.
“Is dat niet vervelend? Gaat de verkoop nu niet veel minder goed?”
Met zijn moeilijk te plaatsten accent antwoordde hij vriendelijk, maar droog: “Ach, het gaat nooit goed.” Scherp. Een bitterzoet moment.

Mijn daklozenkrantverkoper is gewoon een goeie kerel die wat verkeerde afslagen heeft genomen in zijn leven. Zijn wat grauwe huid, zijn uitgeholde gezicht en het slechte gebit kunnen een heftig drugsverleden niet verhullen. Maar als hij zo’n slecht krantje zo goed kan verkopen, stuurt het lot hem ongetwijfeld wel weer in de goede richting.